| 20-11-2006 - Hekkensluiter in plaats van voortrekker |
Mensenrechten zijn niet meer vanzelfsprekend voor de gevestigde partijen, zie de reacties op de doodstraf voor Saddam. Dat is zorgelijk.
De doodstraf voor Saddam Hoessein heeft iets duidelijk gemaakt over de Nederlandse politiek. Mensenrechten zijn niet meer vanzelfsprekend voor de gevestigde partijen. De VVD was het duidelijkst: mensenrechten zijn een kwestie van ´s lands wijs, ´s lands eer. Nadat het vonnis bekend werd zei Verdonk dat de VVD tegen de doodstraf is, maar dat de rechtsgang in andere landen gerespecteerd moet worden. Wat haar betreft zou Nederland zich niet aansluiten bij EU-protesten tegen het vonnis.
De EU heeft richtlijnen opgesteld, onder meer over de doodstraf en foltering, die ervoor moeten zorgen dat bij wisselende voorzitterschappen de Unie toch een consistent buitenlandbeleid voert. Het protest van EU-voorzitter Finland was in dit geval dus ook een Nederlandse verklaring. De VVD wil blijkbaar breken met een actief EU-interventiebeleid bij ernstige mensenrechtenschendingen. Immers de regel ´respecteer de rechtsgang in andere landen´ is een algemene regel. Die is niet alleen op de doodstraf in Irak van toepassing, maar ook op foltering, oneerlijke processen, discriminatie en andere ernstige schendingen.
Rechtsgang is gebaseerd op rechtsregels. Wie ´respecteer de rechtsgang in andere landen´ tot uitgangspunt verheft zegt: ´respecteer de rechtsregels in andere landen´. Dat staat haaks op de idee van mensenrechten als een internationale norm waaraan nationale regels getoetst worden. ´s Lands wijs, ´s lands eer is in wezen een nationalistisch standpunt. Mensenrechten worden geformuleerd vanuit een kosmopolitische visie. Nationalisme en mensenrechten verdragen elkaar niet.
Bij een kosmopolitisch perspectief hoort multilateralisme, ofwel het bevorderen van effectieve internationale organisaties, zoals de VN. CDA-minister Bot zette in de Internationale Spectator kanttekeningen bij zuiver multilateralisme. Daarmee streeft Nederland, volgens Bot, naar sterke internationale organisaties als doel op zichzelf. Zij lijken per definitie de meest geëigende manier om internationale regels (zoals mensenrechten) overeen te komen. Multilateralisme bevordert een geordende internationale samenleving en dat is een nationaal belang voor middelgrote landen. De minister stelt een koerscorrectie voor, omdat macht en invloed van internationale organisaties afnemen. Grote landen opereren steeds meer in gelegenheidsfora en -coalities en daarmee worden de handelingsopties van internationale organisaties minder.
Als antwoord op de gelegenheidscoalities en nieuwe fora, zoals de G8 en toekomstige varianten daarvan waarin (opkomende) grootmachten als China, India en Brazilië deelnemen, pleit Bot voor een realistisch multilateralisme. Daarin wedden middelgrote staten op twee paarden: multilateralisme én nationalisme. Hij ziet dit als een soort verzekering voor het geval ´het multilaterale bouwwerk verder afbrokkelt´. Er lijkt hier sprake van een korte- en een langetermijnstrategie. We houden nog even vast aan het multilateralisme, maar bereiden ons vast voor op een nationalistischer buitenlandpolitiek in de toekomst.
Misschien gaat de koerscorrectie in de praktijk nu al verder dan Bot voorstelt. Nederland lijkt zelf al steeds minder hard te werken aan het multilaterale bouwwerk. Op het terrein van mensenrechten, betoont Nederland zich geen warm voorstander meer van nieuwe internationale instrumenten. Bij de totstandkoming van een verdrag tegen ´verdwijningen´ hing Nederland achter aan de kar. De voorloper van voorheen dreigt hekkensluiter te worden.
Nederland verzet zich ook tegen de totstandkoming van mensenrechtennormen voor internationaal opererende bedrijven. Terwijl enkele Nederlandse banken die normen verwelkomen, zei de Nederlandse mensenrechtenambassadeur in het maandblad Wordt Vervolgd: ´Wij zetten ons niet in voor een bindend internationaal verdrag voor bedrijven´. Hij had erbij kunnen zeggen dat Nederland zich ook niet inzet voor niet-bindende normen. Waar het gaat om mensenrechtenverantwoordelijkheden van internationale bedrijven is het Nederlandse motto tot nu toe: vrijwilligheid. Wat de regering betreft moeten ook Nederlandse bedrijven in het buitenland kunnen opereren volgens het inzicht ´s lands wijs, ´s lands eer.
In 2003 besloot de EU tot oprichting van een Mensenrechtenagentschap. Het is er nog niet. De Nederlandse inzet is niet visionair en stimulerend, maar vooral gericht op het instellen van een agentschap dat niet veel meer wordt dan een veredeld expertisecentrum dat EU-lidstaten wel kan helpen, maar vooral niet voor de voeten zal lopen. Bovendien hecht de regering eraan dat het agentschap nauwkeurig buiten het werkterrein van andere instellingen, zoals de Raad van Europa, gehouden wordt. Het realisme lijkt hier al tot minimalisme verworden.
Nederland heeft een mensenrechtenambassadeur. Het lijkt geen uitgemaakte zaak dat de ambassadeur het na de verkiezingen nog heel druk zal hebben, tenzij een nieuwe regering en een nieuw parlement alsnog het lef hebben om van Nederland weer een leading nation voor mensenrechten te maken. Welke Tweede Kamerkandidaten willen dit nog voor 22 november aan hun lijst verkiezingsbeloften toevoegen?
Eduard Nazarski en Lars van Troost zijn directeur en hoofd externe betrekkingen van Amnesty International Nederland.
Bron: Trouw, 20 november, door E. Nazarski en L. van Troost
|